A & G jrg. 2006 aflev. IV


Mededeling:

A & G verschijnt niet meer, maar de internet-editie zal voorlopig toegankelijk blijven, omdat de daarin opgenomen artikelen een rijke bibliografische bron vormen. De internet-editie zal de komende tijd (en is reeds) met een aantal alleen in de papieren versie gepubliceerde artikelen worden uitgebreid.


ČESKOSLOVENSK› VOJENSK› ATLAS (1965/66)

De drie bekendste naoorlogse representanten van de oostblokcartografie (die uit de DDR even daargelaten, die immers deels nog steunde op vooroorlogse kwaliteit) zijn de Poolse "Atlas äwiata" uit 1962, in 1968 in Engeland verschenen als "Pergamon World Atlas", de Russische "Atlas Mira" (wat door jubelende Oostduitse communisten als "vredesatlas" werd vertaald, 1954 en 1967) en Ė last but not least Ė de bovenaan dit artikel genoemde Tsjechoslowaakse "Československż vojenskż atlas" (hieronder afgekort tot CVA) uit 1965, die evenals de "Atlas äwiata" uit legerkringen stamt, want militairen maken Ė zoals bekend Ė de nauwkeurigste landkaarten, hoewel er in het geval van de atlas die wij hier willen bespreken sprake schijnt te zijn van opzettelijke veranderingen in het tracť van snelwegen en de juiste ligging van luchthavens, althans volgens een recensie in "Kartographische Nachrichten" destijds. Het zou kunnen, want het gaat tenslotte om politiek-bepaalde of gecensureerde werken; nu ja, gecensureerd, alle drie zijn ze ontsproten aan initiatieven van de communistische machthebbers zelf. Maar om ze als propaganda te willen afdoen, zoals is gebeurd bij de voortreffelijke "Atlas Mira", gaat ons te ver. Natuurlijk hebben ze alle drie in hun doelstelling of in hun toonzetting iets met het communisme, zoals de overgrote cartografische aandacht voor de Sovjet-Unie en zijn koloniŽn, of zijn ze verschenen ter gelegenheid van iets moois, zoals het 50-jarig jubileum van de oktoberrevolutie, of Ė in het onderhavige geval Ė de 20-jarige "bevrijding" van het fascisme, maar dat zijn slechts grilligheden van voorbijgaande aard die de inhoud nauwelijks aantasten, helemaal niet omdat ons slechts de vorm(geving), de cartografie als zodanig interesseert.

Het militaire zit hem voor wat de voorliggende atlas betreft, die het formaat van de Stieler heeft maar iets breder is dan deze, in het tweede gedeelte van het werk, dat een panorama biedt van veldslagen van de jongste tot de meest recente tijden. Deze zeer ingewikkelde van symbolen zwangere voorstellingen zijn op zich al moeilijk te volgen, maar zonder kennis van het Tsjechisch nauwelijks te begrijpen, zodat we ons maar niet wagen aan een oordeel over de objectiviteit ervan. Anders is het natuurlijk met het voorafgaande gedeelte: de geografische atlas. Na een aantal kaarten van algemene aard, o.m. over de sterrenhemel en de ruimte met de eerste satellieten zoals Spoetnik, Telstar, Tiros en Wostok, laten wij de atlas beginnen met kaart 18/19, het oostelijk en westelijk halfrond. Na Noord- en Zuidpool en land- en wateroppervlak (dat doet weer aan Stieler denken) volgen een aantal pagina's (geen bladen, de kaarten zijn ruggelings tegen elkaar afgedrukt) thematische wereldkaarten en -kaartjes, tot zich op p. 33 Europa ("Evropa") aankondigt met een kaartwijzer. Na een staatkundige en natuurkundige overzichtskaart volgt ook hier een reeks thematische kaarten en zo is het steeds in deze atlas: valt er van een bepaald, als geografische eenheid aan te merken gebied iets thematisch te melden, dat volgen op de staatkundige kaarten een reeks kaarten, die zulks toelichten. Ook voor Midden-Europa (46/47) is er zo'n reeks (49 e.v.); de atlas doet daarbij denken aan de diverse Meyer-atlassen uit de jaren 30, die al naar gelang hun taak en toepassing een min of meer uitgebreide serie thematische kaarten bezaten.

Maar het meest interesseren ons toch de geografische kaarten. Ze zijn allemaal voorzien van een geaccidenteerd, in "schummerung" weergegeven terrein, waarvan de niveauverschillen, aangeduid door een kleurenscala, gescheiden door zeer lichte hoogtelijnen, in elkaar overlopen, anders dus dan Atlas Mira, waarvan geen enkele kaart reliŽf toont. Maar de kaarten zijn tamelijk flets met weinig contrastverschil. Overeenkomst tussen de CVA en laatstgenoemde atlas is het letterschrift, dat zich van precies dezelfde cursieven bedient. De kaarten zijn er overvol mee en door het piepkleine plaatsschrift niet gemakkelijk leesbaar voor wie naar verziendheid neigt, maar dat maakt ze er niet minder indrukwekkend door.

De wereld draait in deze atlas om Tsjecho-Slowakije en alles wat daarna komt krijgt een steeds kleinere schaal toegewezen. Tsjecho-Slowakije zelf wordt eerst in zijn geheel weergegeven op een natuurkundige kaart (54/55) met een beperkt aantal plaatsnamen zonder verschillende signatuur in 1:1.500.000, dan in twee delen (58/59 en 62/63) in 1:1.000.000 en ten slotte in 10 p., deels nog uitklapbare kaarten (66-75) in 1:500.000, in esthetisch opzicht het absolute hoogtepunt van deze atlas en trouwens ook een hoogtepunt in de naoorlogse cartografie, hoewel nog niet het onaantastbare van een kunstwerk hebbend zoals de kaarten van Oostenrijk-Hongarije in de Perles-editie van de Andree (schaal 1:750.000). Ook voortreffelijk zijn trouwens de bijkaartjes als uitvergrote details van de hoofdkaarten, en vooral de stadsomgevingskaarten (bij Tsjecho-Slowakije bijv. p. 65: Praag, Bratislava, Brno). De CVA staat er vol mee.

Na Tsjecho-Slowakije volgt Polen (76-79, 2 kaarten in 1:1.000.000) en daarna op dezelfde schaal Duitsland (Oost- ťn West-), omzoomd door allerlei bijkaarten. Ook de Benelux mag zich in deze schaal verheugen en wordt op een aparte pagina verwend met stadskaartjes van Amsterdam, Rotterdam, Antwerpen, Brussel en Luxemburg en verder nog met bijkaartjes van het IJsselmeer en omgeving (1:500.000, niet geheel vlekkeloos met spelfouten als Ouderker, Nieuewveen, Nieversluis) en het kolenbekken van Henegouwen. Ook Oostenrijk en Hongarije krijgen de schaal 1:1.000.000 toegemeten, maar de overige Europese landen moeten het, ondanks een overdaad aan bijkaartjes, doen met overzichtskaarten in 1:3.000.000, ook de heilstaten JoegoslaviŽ, RoemeniŽ, Bulgarije en AlbaniŽ, voor de laatste drie waarvan slechts plaats is op een overzichtskaart van de Balkan. De Sovjet-Unie echter komt op de bladzijden 129-152 uiteraard niets te kort aan geografische (Europees Rusland in 1: 3.000.000 en delen van Aziatisch Rusland in de halve schaal) en thematische hoofd- en bijkaarten, allemaal van hetzelfde hoge niveau dat de kaarten van Europa kenmerkt.

Ook AziŽ (p. 153-184) krijgt ruime aandacht, maar Afrika (p. 185-196) wordt slechts weergegeven in twee kaarten (schaal 1:15.000.000), het noordelijke en het zuidelijke deel, een aantal flankerende bijkaarten ten spijt. Amerika (p. 197-224) heeft weliswaar 19 p. staatkundige kaarten, maar de Verenigde Staten moeten het doen met een overzichtskaart (214/215, 1:10.000.000) en een kaart van het noordoosten (1:5.000.000). Zuid-Amerika (222/223) krijgt met ťťn enkele kaart in 1:15.000.000 niet de aandacht die het verdient, hoewel er weer uitstekende bijkaarten zijn op de verso's 221 en 224. AustraliŽ en OceaniŽ (225-232) heeft ťťn overzichtskaart van AustraliŽ op twee pagina's (230/231) en een klein bijkaartje op p. 232 van het dichtstbevolkte zuidoosten, alles overigens in dezelfde voortreffelijke cartografie van de eerdere kaarten, dat wel. De naamgeving is Ė voor zover mogelijk Ė internationaal: op de kaarten van de landen zelf is de plaatselijk geldende naam gebruikt, op de overzichtskaarten soms de Tsjechische, dan weer de plaatselijke; een consequente lijn is er niet in te ontdekken.

Het register telt ca. 150.000 namen, maar het hadden er, gelet op de overdaad aan plaatsnamen die Centraal-Europa en de Sovjet-Unie ten deel valt, 200.000 kunnen en moeten zijn als bijvoorbeeld Engeland, Frankrijk en ItaliŽ meer hadden gekregen dan de overzichtskaarten waarmee nu werd volstaan. Ten slotte gaat de atlas als een nachtkaars uit met een de beperkte aandacht voor de Verenigde Staten en Zuid-Amerika, ruim voldoende in iedere andere atlas, maar onevenwichtig ten opzichte van Europa, voor zijn formaat had hij het niet hoeven laten. Dat neemt allemaal niet weg dat de CVA zijn plaats in de historie van de atlascartografie ruimschoots heeft verdiend.

Ministerstvo nŠrodnŪ obrany / ČeskoslovenskŠ akademie věd: Československż vojenskż atlas (Tsjechoslowaakse militaire atlas). Naöe vojsko Ė mno. Praha, 1965. [10] p. + inlegvel (legenda), [10], 1-6 p., [1] p.; 8 - 232 p. staatkundige en natuurkundige kaarten); [1] p.; 234 Ė 240, [1], 242 Ė 376 p. historische en sociaal-economische atlas met het accent op slagenkaarten W.O. 2; [2] p. Kaarten deels uitklapbaar. 41,5 x 31,5 cm. Prijs DM 184,-.

Ministerstvo nŠrodnŪ obrany / ČeskoslovenskŠ akademie věd: Československż vojenskż atlas (Tsjechoslowaakse militaire atlas). Seznam nazvů (register van in de atlas voorkomende namen). Naöe vojsko Ė mno. Praha, 1966. 18 p., p. 19 Ė 254, 2, [2] p. Los blad aanvullingen. Ca. 150.000 namen. p. 19 Ė 192 vormen het register van het eerste deel van de atlas (de staatkundige en natuurkundige kaarten). Bibliografie op pp. 193 en 255. 41,5 x 31,5 cm.

Lit.: Karl-Heinz Meine in "Kartographische Nachrichten", 16de jrg. aflev. 4, aug. 1966, p. 160/161.


A. HARTLEBEN's VOLKS-ATLAS 1911

Er zijn van die atlassen, die niet tot de grote Duitstalige drie (Andree, Stieler en Debes) behoren, maar zich toch verheffen boven de veelheid aan formaten en kwaliteiten daaronder. Ze zijn wel niet zo dik, en een fractie kleiner dan het formaat van de aller-grootsten, maar weten zich toch in iedere bespreking in een encyclopedie of geografisch handboek een vermelding te verwerven. De hier te bespreken atlas vormt eigenlijk een categorie op zichzelf: we zouden zo gauw geen titel kunnen bedenken van dezelfde omvang en kwaliteit. Het betreft:

A. Hartleben's Volks-Atlas enthaltend 86 Hauptkarten und 84 Nebenkarten in einhundertfŁnfundzwanzig Kartenseiten, mit erlšuterndem Text und vollstšndigem alphabetischen Register. FŁnfte vollkommen umgearbeitete und erneuerte Auflage. A. Hartleben's Verlag. Wien und Leipzig. [z.j. = 1911]. [8], 9-44 p. (index); 86 krtn. op 125 enkelzijdig bedrukte pagina's. 39,5 x 28 cm.

De firma Hartleben betrad de markt voor atlassen omstreeks 1890 met werken die alle nagenoeg dezelfde afmetingen hadden als het voorliggende, maar waarvan de inhoud verschillende gradaties van rijkdom vertoonde. De meeste droegen de titel "Volks-Atlas" ( 5 edities) of "Kleiner Volks-Atlas" (2 edities, 1896 en 1911, 40 c.q. 41 p. krtn.). Daarnaast was er de "Kleiner Hand-Atlas" (2 edities, 1892 en 1911, 60 p. krtn.), en daar weer naast de "Universal-Handatlas" uit 1892, de meest uitgebreide van allemaal met 126 p. krtn. En ten slotte bestond het werk "Die Erde in Karten und Bildern" (1889 met 63 kaarten, waarvan we niet weten of ze een vol blad besloegen, zodat dat eigenlijk ook 126 pagina's zijn), dat een toelichtende tekst met 1000 afbeeldingen bevatte.

Maar beperken wij ons tot de Volks-Atlas. De eerste vier edities, verschenen in resp. 1888, 1892, 1896 en 1904 hadden alle 72 kaarten op 100 pagina's. De voorliggende, vijfde editie, heeft er 25 meer, waarop 14 kaarten extra passen. Eerst zijn er twee pagina's tekst "Zum Verstšndnis der Karten" over projecties, terrein en signaturen, dan een inhoudsopgave en daarna een 37 bladzijden tellende index, zo'n 30.000 namen bevattend, een aantal, een atlas van enige statuur onwaardig, en die dan ook onvolledig is; de kleinste plaatsjes in verre buitenlanden ontbreken. De verwijzing met breedte- en lengtegraden zoekt niet echt makkelijk, want vaak is men onderweg van register naar kaart deze specificatie van de ligging al weer vergeten.

Van de kaarten, alle vervaardigd door de firma Freytag & Berndt te Wenen, zijn er vele op een half blad afgedrukt, zo bijv. kaart 1 en 2, de noordelijke c.q. de zuidelijke sterrenhemel, die in andere atlassen tezamen op een dubbelblad prijken. Alvorens we aan Europa toe zijn, volgt er een twintigtal, soms op dubbelblad, maar meestal op enkelblad gedrukte thematische wereldkaarten over zeestromingen, vegetatie, luchtdruk, rassen en geloven. Op Europa als geheel, volgen eerst nog twee thematische kaarten alvorens afgedaald wordt naar de specificatie in afzonderlijke staten. Die begint, zoals in veel Oostenrijkse atlassen gebruikelijk, niet met Oostenrijk zelf, maar met Duitsland. Duitsland is, behoudens de overzichtskaart, weergegeven in een viertal detailbladen (bl. 29-30 t.e.m. 35-36), schaal 1:1.350.000, die doen denken aan Vogels vierbladskaart in de Stieler, 7de-9de druk. We hebben daarmee gelijk een hoogtepunt te pakken, al is het schrift niet van de kwaliteit van Stieler in genoemde edities en heeft de lithografische druk niet de scherpte van de in Stieler gebezigde koperdiepdruk. Het vierde (dubbel)blad van de reeks bevat evenals de Stieler indrukwekkende bijkaarten, in dit geval ook van Berlijn en verder van Hamburg, MŁnchen, Dresden en het Roergebied. Vooral aan zo'n kaartje van Berlijn valt eer te behalen en het lijkt wel, of de makers van die vroege atlassen daarop bijzonder hun best hebben gedaan, meer nog dan op de stadsomgevingskaarten van Londen en Parijs.

Een kaart van Zwitserland, enige bladen verder is dan weer op een half blad (dus een, aan ťťn kant bedrukte pagina) weergegeven en dat levert een kaart op op de bescheiden schaal van 1:1.200.000, te mager voor een atlas van enige betekenis. Juist aan een kaart van Zwitserland kunnen de makers veel plezier beleven: ze kunnen al hun vaardigheden investeren in een adembenemende gebergte-weergave (die wel moet kloppen natuurlijk). Een goede kaart van Zwitserland is de meesterproef voor de cartograaf; aan de firma Hartleben is dat in deze atlas evenwel niet besteed. Ze hadden van dit stukje cultureel zo aan Oostenrijk en Duitsland verwante alpenland een kaart moeten eisen van dezelfde kwaliteit als het voorgaande Duitsland, en het erop volgende Oostenrijk-Hongarije.

Vooral dat laatste. Want de kaart van de "÷sterreichische Alpenlšnder" (46/47, 1:1.000.000) is uitmuntend. Vooral het lichtgrijs getinte berglandschap is werkelijk zeer geslaagd te noemen en heeft bovendien het voordeel van een verhoogde leesbaarheid. De voorafgaande kaart 44/45, Bohemen en MoraviŽ, zeg maar het huidige TsjechiŽ, 1:1.000.000, mag er trouwens ook wezen al is het schrift, een smalle variant van de cursief, wellicht iets ouderwets.

De kaart van ServiŽ, Bulgarije en MacedoniŽ (57/58, 1:1.500.000) behoort ook tot de betere in de atlas. Een kaart ook die de bezitters van het werk in de twee jaren die volgden op het jaar van publicatie uitstekende diensten moet hebben bewezen, want het geeft precies de brandhaarden van de twee Balkanoorlogen (1912/13) weer. Cartografisch absoluut een juweel.

ItaliŽ, Spanje en Frankrijk moeten het doen zonder dergelijk uitgebreide detailkaarten, hoewel Frankrijk wordt bedacht met een half blad Kanaalkust. Nederland, BelgiŽ en Luxemburg komen er bekaaid af met een totaalkaart in 1:2.000.000, waaraan zelfs middelmaat-atlassen een ruimere schaal toekennen. Maar Groot-Brittannie en Ierland (68/69) heeft een voortreffelijke uitbreiding met een kaart (70/71) van Engeland (1:1.500.000). Zweden en Noorwegen (wij zeggen: Noorwegen en Zweden) doen met twee halfbladen: het geheel (73) en het zuidelijk deel (74) denken aan de 2de en eerste 3de druk van de Andree.

Van Rusland zijn er twee halfbladen als detailkaarten: West-Rusland (77; de kaart komt niet verder dan het toenmalige Polen) en Zuidwest-Rusland (78; de Oekraine). KaukasiŽ (81) is even kleinbeschaald (1:4.000.000) als in Meyers Geographischer Handatlas en Klein-AziŽ op het volgende halfblad met 1:5.600.000 tegen 1:5.000.000 zelfs nog kleiner, terwijl de kaarten in de kleine Meyer-atlas (formaat encyclopediedeel) duidelijk de betere zijn. Dat geldt ook voor de halfbladen SyriŽ en Palestina (83) en PerziŽ (84). SiberiŽ (85/86, 1:15.000.000) daarentegen is weer ruimbemeten en benut het formaat van de atlas volledig waar halfbladen het laten afweten en eigenlijk in een atlas op het halve formaat thuishoren. Oost-AziŽ (87/88, 1:10.000.000) springt er ineens weer uit, maar de vreugde over zoveel moois wordt onmiddellijk getemperd door het daarop volgende halfblad van Japan; zelfs op dit halfblad had een grotere schaal toegepast kunnen worden want er staat meer water dan land op. Voor-IndiŽ (90/91, 1:10.000.000) kan onze goedkeuring geheel wegdragen, maar de daaropvolgende kaart van Zuidoost-AziŽ (92/93, 1:10.000.000) is min of meer overbodig, omdat deze grotendeels hetzelfde gebied beslaat als 87/88, maar met een minder intensieve belettering. Nederlandsch-IndiŽ ("Sunda Inseln", 94) ten slotte had met wat passen en meten op vorenbedoelde kaart gekund, als de focus daarvan naar beneden was geschoven.

Afrika wordt in zes halfbladen gedetailleerd, maar ertussen in is een voortreffelijk dubbelblad met de Duitse koloniŽn in Afrika (101/102). Amerika geeft de Verenigde Staten in een tweetal kaarten op een dubbel blad, beide in 1:7.500.000, beide beslist hoogtepunten in de atlas. Ook Canada (113/114) sluit zich daarbij aan. Dan weer twee teleurstellingen: Mexico en Midden-Amerika, beide op een halfblad. Waarom toch Midden-Amerika niet op een dubbelblad in dezelfde schaal als Mexico?

Zuid-Amerika heeft een overzichtskaart (117/118) en als detail een stukje Zuid-BraziliŽ (119). Van AustraliŽ is er een halfblad van het oostelijke deel (122) en een kaart (123) van Nieuw Zeeland op zeer ruime schaal; het schrift is hier ook veel beter. Het is een voorbeeld van de wijze waarop een half blad optimaal kan worden benut. De atlas sluit af met twee halve bladen die gewijd zijn aan de eilanden in OceaniŽ met het accent op het Duitse koloniale bezit aldaar, maar op 125 ook de Duitse enclave Kiautschou in China.

Alles bijeen genomen is Hartleben's Volks-Atlas een prima atlas, die echter lang niet de uitstraling heeft van eerdergenoemde grote drie, met wie hij slechts met een enkele kaart kan wedijveren. Het schrift is, een enkele uitzondering daargelaten, ook een gradatie minder en de overdadige toepassing van halfbladkaarten, of liever gezegd, het verkeerde gebruik daarvan, is bepaald een zwak punt te noemen. Op het reliŽf is niets af te dingen en de steden-bijkaartjes verdienen ook een loffelijke vermelding.

Voor zover ons bekend is er geen volgende druk van deze atlas verschenen. Sterker nog: na 1911 heeft Hartleben nooit meer een atlas gepubliceerd. Maar het is niet aan een bibliograaf om naar de reden daarvan te gissen.


MEYERS WELT-ATLAS (1938)

Er zijn van die boeken waarvan we niet hadden verwacht dat ze zouden bestaan. Toch waren ze er. Zo was er wel degelijk een nooit-vermoede editie van de Andree uit 1911, evenals een 1918-editie van "Meyers Physikalischer Handatlas", vondsten uit het pre-internet-tijdperk; van tal van dit soort titels heeft ook het internet de tastbaarheid ontsloten. Daarom zouden wij niet verbaasd zijn als er toch een 1940-editie van "Meyers Geogra≠phischer Handatlas" zou voorkomen, zoals de Oosthoek ooit vermeldde. Maar een nergens geciteerd werk als het in hoofde genoemde heeft ons toch verrast. Wel beschikt de Staatsbibliothek te Berlijn over een exemplaar dat deze titel draagt, zij het uit een eerder jaar, maar dat is dan ook het enige op aard' en hoewel we weten, dat de catalogi van bibliotheken allerminst betrouwbare gegevens hoeven te bevatten, geloven wij dat daarvan hier geen sprake is.

Evenals de Universal-Atlas, maar anders dan de Haus-Atlas (beide van hetzelfde formaat) draagt de "Welt-Atlas" een rugtitel. Dit zijn de gegevens van het werk:

Meyers Welt-Atlas. 227 Haupt- und Nebenkarten mit alphabetischem Namenverzeichnis und einer geographischen Einleitung von Dr. Edgar Lehmann mit 31 Textkarten. Bibliographisches Institut AG./Leipzig. 1938. [4] p., 7-63, [1] p.; 78 bl. krtn. genummerd 1-34 + 5 bl. ongenummerde natuurk. krtn. van de werelddelen; [1], 2-18 p. krtn., fign. ("Wehrgeographischer Teil"); 104, [2] p. (index). 35 x 25 cm.

De atlas begint met een titelblad dat typografisch nagenoeg gelijk is aan dat van de Haus-Atlas, alleen is "Haus" door "Welt" vervangen en natuurlijk het aantal hoofd- en bijkaarten, dat verschilt. De weerszijde van het titelblad is echter geheel gelijk; ook daar staat "Copyright 1935" (en geen 1937 of 1938). Op de inhoudsopgave van 2 pagina's volgt gelijk pagina 7 van de inleiding, zodat er ťťn blad lijkt te ontbreken, wat echter niet het geval is, aangezien in de inhoudsopgave zťlf sprake is van p. 7-64. Deze inleiding, "Die Erde als Lebewesen", is Ė zoals gebruikelijk - van de hand van Dr. Edgar Lehmann, een verrukkelijk stilist ook, hoewel de inleiding hier zakelijker is dan de haast poŽtische van de Haus-Atlas (zie hieromtrent onze bespreking in A&G jrg. 1995 nr. 5). Het is dus niet de inleiding uit laatstgenoemde atlas, maar volgens de norm van de katernen die van de Universal-Atlas, die hetzelfde formaat heeft. De kaarten zijn wel die van de Haus-Atlas, maar er zijn vijf ongenummerde natuurkundige kaarten van de werelddelen aan toegevoegd. Dat wil niet zeggen, dat het kaartgedeelte eigenlijk dat van de uitgebreide editie van de Haus-Atlas is, want daaraan waren 9 natuurkundige kaarten toegevoegd (de bladtelling kan het niet zijn, want volgens meerdere bronnen bedraagt deze 87 i.p.v. 78).

Wat de kwaliteit van de kaarten aangaat kunnen we gevoeglijk verwijzen naar eerdergenoemde bespreking, maar een betere dwarsdoorsnede van de cartografische vermogens van het BI is nauwelijks denkbaar. De algemene geografische kaarten zijn aangevuld met kaarten uit Meyers ReisebŁcher; vooral die laa≠t≠ste zijn juweeltjes.

Maar het is nog niet uit met de pret, want dan volgt het gedeelte dat is aangeduid als "Wehrgeographischer Teil". 1938 was natuurlijk de tijd van marcheren en toegeschreeuwde toespraken van redenaars die nog in het microfoonloze tijdperk waren opgegroeid, een tijd die sidderde van de oorlogsdreiging. Daarin past ook dit "Wehrgeographischer Teil", dat begint met een handig historisch overzicht van "Der Weltkampf 1914-1918", toegelicht met tabellen over legersterkten, verliezen aan mens en materiaal enzovoorts en verlucht met kaartjes die ook in de 7de druk van Meyers Lexikon voorkomen. Dan wordt langzamerhand naar het toenmalige, nationaal-socialistische heden overgestapt, maar wel van uit historisch perspectief, opdat niemand iets te kort komt aan verantwoording en argumentatie. Dat iemand een zekere gehechtheid aan de grond onder zijn voeten toont, dat moge tegenwoordig verwerpelijk worden gevonden, vroeger was dat, en gelet op de concentratie van kaartmateriaal in deze atlas, de gewoonste zaak van de wereld. Het was iets, waarvoor je desnoods sneuvelde, zodat je leven zin en invulling had gehad. Niemand stelde zich nog de vraag: waarom eigenlijk? Trouwens, ook niet toen de oorlog, die een jaar later inderdaad uitbrak, werkelijk een feit was. Het register, hetzelfde, gelet op de norm van de katernen als in de Haus-Atlas, en zo'n 70.000 namen tellend, sluit deze voortreffelijke en bovenal zeldzame atlas af.


MEYERS UNIVERSAL-ATLAS 1937

Van hetzelfde formaat als "Meyers Haus-Atlas" en "Meyers Welt-Atlas" is het in de titel genoemde werk. Met beide heeft het gemeen dat het uit een drietal delen bestaat, binnen ťťn band verenigd, te weten een geografische inleiding, de eigenlijke atlas en een register. De bibliografische gegevens luiden:

Meyers Universal-Atlas. Mit 225 Haupt- und Nebenkarten, darunter zwei Grossraumkarten, 394 Abbildungen von Landschaften, Volkstypen, Stšdten usw. nebst ausfŁhrlichen Erlšuterungen und einem umfassenden Textteil, Register mit rund 70000 Namen. 2. Auflage. Verlag Bibliographisches Institut AG. Leipzig, 1937. [4], 63, [1] p.; [186] p. met 92 p. afbn. en 93 p. krtn. nrs. 1-34A en 2 uitvouwbare natuurkundige kaarten nrs. 2A en 27A; 105, [7] p. 35 x 25 cm. Ongewijzigde versie van de 1ste druk.

De geografische inleiding is dezelfde als die in de eerder besproken "Welt-Atlas" en dus van de hand van de onvolprezen Dr. Edgar Lehman, hoewel diens naam hier niet genoemd wordt. Daarna volgen de geografische kaarten, waarvan de keerzijden afbeeldingen en tekst bevatten over het onderwerp van de kaart, aldus een specifieke aanvulling vormend op de algemene geografische inleiding. De kaarten zijn niet dezelfde als in de Haus-Atlas en de Welt-Atlas, maar komen uit Meyers Hand-Atlas (standaardeditie 1935), missen daarvan slechts twee geografische (Zuidoost-Europa en Middellandse Zeegebied) en drie natuurkundige kaarten (zie onder), maar voegen er daarentegen nog aan toe:

4b Rheingau;
9a Frankische Schweiz;
33 aI Duits Oostafrika;
33 bI Duitse Zuidzeekolonies; de eerste twee wel in Meyers Haus-Atlas/Welt-Atlas,

terwijl sommige kaarten die in de Hand-Atlas op een half blad staan, hier op dubbel blad worden weergegeven en een grotere schaal hebben of een ruimer gebied tonen:

15d Baltische Staaten (toont heel Oostzee-gebied);
19 Spanje (iets breder, bijkaartjes extra);
20 Zwitserland 1:850.000;
21/22 Oostenrijk (op ťťn kaart);
23b Hongarije / Slowakije (1:1.400.000);
25 Tsjecho-Slowakije (op ťťn kaart);
27c Turkije (dubbelblad);
32d BraziliŽ (1:12.000.000).

De natuurkundige kaarten van Europa, Midden-Europa en AziŽ zijn vervangen door twee grote, uitvouwbare kaarten: ťťn van Europa (2A) in 1:12.000.000) en ťťn van AziŽ (27A), 1:25.000.000. De natuurkundige kaart van Zuid-Amerika is nieuw. Op de kaarten volgt dan het register, een bronvermelding en reclame voor o.m. de 8ste druk van Meyers Lexikon, zoals voorkomend in een van de edities van de Haus-Atlas uit 1935 (=1936 of '37).

Kortom: deze Universal-Atlas kan nauwelijks voortreffelijker zijn dan hij nu is: hij biedt evenveel, ja, nog meer dan de uitgebreidste Meyer-Atlas uit die tijd en voegt daar een rijkdom aan beeldmateriaal en statistische gegevens aan toe. Mocht u het ons op de man af vragen, dan vinden wij hem zelfs minstens zo bruikbaar, zo niet bruikbaarder dan de cartografisch iets omvangrijker BI-uitgaven "Meyers Grosser Haus-Atlas" (1938 en '40) en "Der Grosse Weltatlas" (1933-41).